Home » Blog » Blog

Categorie: Blog

The Living Inquiries Blog

Iemand die over me waakt…

Door Melanie Balint Gray, vertaald door Pleun Vermaas.

Tegenwoordig merk ik dat ik terugblik op recente, moeilijke ervaringen om te zien of ik ze vanuit een ander perspectief kan zien. Ik vind het fijn als blijkt dat er een nieuwe kijk is ontstaan. Vooral sinds ik me er bewuster van ben dat mijn eerste standpunt nooit de enige hoek is van waaruit je het leven kan bezien. Op een herfstige namiddag, toen ik dit zo na aan het gaan was, werd ik verrast door wat ik ontdekte.

Een jaar geleden moest mijn man chemotherapie ondergaan. Dit gebeurde in zes  rondes. De hoge doseringen prednison die ze hem gaven, maakten het slapen hem haast onmogelijk, verhoogden zijn angstgevoelens en legden zijn zenuwstelsel helemaal bloot als het ware; alle gevoelens kwamen ongefilterd binnen. Dit duurde vijf tot zeven dagen na iedere ronde chemotherapie. Het was zo vreselijk zwaar voor hem. En zo zwaar voor mij.

Op een gegeven moment werden zijn uitputting, angst en boosheid zo extreem; dat had ik nog nooit zo bij hem gezien. Ik hoorde een stemmetje in mijn hoofd dat me zei dat ik moest vertrekken. Dat ik hier niet kon blijven. Een hotel. Ja, dat was het, ik zou naar een hotel gaan. De woorden kwamen op en gingen voorbij. Maar ik merkte dat ik bleef staan, met mijn voeten stevig op de vloer. Ik keek hem aan terwijl hij van emotie naar emotie geslingerd werd. Het was alsof mijn lichaam een schok kreeg bij elk woord dat hij schreeuwde en bij iedere nadrukkelijke beweging. Toch bleef ik gewoon staan. Stevig op de grond.

Was ik gek? Waarom luisterde ik niet naar die stem? Waarom zocht ik geen schuilplaats voor de storm die op komst was?

Nu ik op dit scenario terugblik, zie ik dat het niet alleen de mij wel bekende gewoonte was om me terug te trekken en me af te sluiten. Er was ook een tegenkracht om te blijven zitten, stil te worden en openlijk de golven van de uitbarsting te verwelkomen. Het was alsof een ongedefinieerde gids me op die plek hield. Ik wist dat dit niet persoonlijk was. Het voelde alsof hij die energieën moest laten stromen. Voor mij leek het me goed om zijn uitdrukking van de pijn te zien. Ik wilde dat proces niet hals-over-kop doorbreken. Ik wilde er getuige van zijn.

Vreemd genoeg voelde ik dat ik veilig was. Het was niet het veilige gevoel dat vergezeld gaat met een volledig kalm zenuwstelsel. Nee, verre van dat! Ik trilde als een rietje. Ik ging steeds in en uit de angst. Maar toch wist ik dat ik veilig was. Het was zo vreemd, bizar.

En er was iets of iemand die de hele situatie gadesloeg. Het aanwezige deel van mij dat me overal vergezelt (en dat altijd al heeft gedaan, ook al was ik me niet bewust van die aanwezigheid) was er nu heel  duidelijk. Het registreerde elke schokgolf die door mijn zenuwstelsel stroomde. Het registreerde elke verkramping van de borst, waardoor ademen moeilijk ging. Zij was er! In feite was zij mij:een alert, open en bewust Mij.

Misschien was ik veilig omdat ik wist dat zij over me zou waken; of ik nou stokstijf bleef staan of wegrende of pas op de plaats maakte. De beveiliging zat hem in het gezelschap: ik en Ik. Die ik, die met deze menselijke situatie worstelde, was in het gezelschap van deze opmerkzaamheid. En deze opmerkzaamheid, noem het Aanwezigheid of Gewaarzijn als je wil, was er al die tijd.

Hier begin ik te stotteren en te struikelen in mijn poging om de juiste woorden te vinden die recht doen aan wat ik ervoer. Op de een of andere manier leek deze reünie van ik en Ik een andere uitkomst mogelijk te maken. Zo kon ik er niet alleen voor mezelf zijn, ik kon eveneens standvastig mijn man bijstaan. Niet dat het er uitzag alsof ik alles onder controle had; iedere voorbijganger zou me waarschijnlijk als…, oh, ik weet het niet…, misschien als een idioot bestempelen. Maar dat was niet de hele ik, die op dat moment beschikbaar was. Ik was een duo. Ik en ik. Soort van.

Ik had je al gezegd dat het erg lastig is om over deze materie te schrijven!

Dit soort beveiliging is niet en is nooit afhankelijk geweest van iets dat van buitenaf komt zoals een persoon, een gewild object, een inbraakalarm, een wapen of een of andere vorm van afleiding.

Er is, was en is altijd iemand geweest die over me waakte…

Als het kind in ons aandacht en liefde nodig heeft

Door Helena Weaver, vertaald door Pleun Vermaas.

Dit zijn uitdagende tijden. Zeker. Voor het eerst in weken was ik weer een keer in de stemming voor wat meditatie. Ik zat een tijdje, richtte mijn aandacht naar binnen en voelde hoe mijn ademhaling langzamer en dieper werd. Toen begon ik mijn lichaam te scannen en voelde ik voorzichtig de lichamelijke en emotionele sensaties van binnenuit, waarbij ik me geleidelijk aan meer en meer bewust werd van wat ik voelde in dat lijf van me.

Na een tijdje ontdekte ik een diepe laag in mijzelf die geschokt en bevroren aanvoelde. Een subtiel, bruisend, gespannen gevoel, afgedekt door een ietwat zweverig gevoel. Het drong op dat moment tot me door dat ik over deze laag heb geschaatst, afgeleid en gedesoriënteerd door de gebeurtenissen van de afgelopen weken. Ik voelde me bij tijd en wijle alsof ik niet met beide benen op de grond stond, maar net erboven zweefde, zonder precies te weten waarom. De enige reden die ik daarvoor kon verzinnen is dat deze tijden abnormaal en schokkend zijn. Maar die innerlijke, bevroren toestand voelde ook bekend aan – het begon me te dagen dat deze laag altijd al tot op zekere hoogte bevroren was.

Voorzichting tastte ik dit gevoel af. Ik merkte op dat het gevoel toebehoorde aan een jong kind. Herinneringen aan Bahrain kwamen bovendrijven. We hebben daar tussen mijn vierde en achtste jaar gewoond. Ik begon met een dankbaarheidsmeditatie, wat resulteerde in een hart dat zich langzaam ontvouwde voor liefde, waardoor vervolgens het bevroren deel begon te ontdooien. En dat was doodeng voor dit deel van mij, want het ijs fungeerde als een zelfbeschermingsmechanisme tegen alle onzekerheid, instabiliteit en alle angsten. Desondanks heb ik me altijd te min en niet in staat gevoeld om op te komen of te zorgen voor mezelf. Er kwam veel gesnik en gehuil bij kijken, dat oprecht uit het hart kwam. Ook voelde ik het in de solar plexus. Mijn lichaam schudde ervan. Destijds maakten mijn moeder en vader vaak ruzie. Ik herinnerde me een specifieke, beangstigende ruzie. Mijn vader smeet met dingen en mijn moeder en ik krompen ineen. En dan het schreeuwen, die onvoorspelbare explosies, hoe hij zo opeens pats-boem een kamer kon binnenvallen om dan als opgejaagd wild rond te lopen en vervolgens in volle woede te ontsteken en te klagen; zijn zure regen. Al die eindeloze drama’s, die hun volledige aandacht opeisten en waardoor zij als het ware met elkaar vergroeiden.

Ik herinnerde me hoe dat jonge eenzame kind met twee lichtgeraakte ouders, die elkaar regelmatig in de haren vlogen, in zichzelf keerde en vluchtte in haar eigen gedroomde wereldje met geheime tuin. Daar verdween ze, terwijl het gezin ondertussen van het ene naar het andere land trok. Koeweit, Irak, Bahrein, Turkije, Libië, waar ze telkens enkele jaren verbleven om vervolgens weer te vertrekken naar de volgende bestemming. Met elke verhuizing verloor ze haar huis, tuin, vrienden, school, vertrouwdheid van de buurt en de gewoontes en gebruiken van het dagelijkse leven. Bij elk nieuw begin werd mijn aanpassingsvermogen op de proef gesteld. En overvraagd. Dat liet zijn sporen na. Zo was ik sociaal gezien achter op mijn leeftijdsgenoten. Ik was een verlegen, introvert en onzeker meisje, was gauw van slag, makkelijk te raken en over het algemeen zeer instabiel. Eigenlijk weet ik niet eens zeker of dit deel van mij wel ooit volwassen is geworden. Het voelt alsof het er altijd al was, dat ik het diep van binnen met me meedroeg, bevroren en weggestopt; verborgen en toch in staat om haar invloed uit te oefenen, me af te remmen, omdat zij als een angst-generator fungeerde.

Vandaag realiseerde ik me voor het eerst, terwijl ik van binnenuit luisterde en voelde, hoe zeer de huidige situatie van buiten (de Corona-crisis) lijkt op mijn vroege verleden. Het is als het ware een echo van het leven zonder mogelijkheden, onder een grote wolk van dramatiek en continu gevaar en paniek. Ah, natuurlijk. Mensen met een onderliggend trauma weten hoe het is om met een onoplosbare angst te leven en dat ze zich nergens ooit veilig en geborgen kunnen voelen. Maar ik had nog niet volledig doorzien dat dit jonge meisje in mij zo getriggerd werd door wat er nu om haar heen gebeurt. Daarom heb ik van die perioden, hele dagen soms wel, dat ik me afgesloten en zweverig voel en op het punt van huilen sta.

Echter nu begrijp ik het. Het is allemaal heel logisch eigenlijk. Ik heb gewoon de neiging om me terug te trekken en mezelf te begraven in die magische tuin van me. Soms heb ik dat echt even nodig; zij heeft het nodig, en ik laat haar begaan. Zij studeert graag talen, speelt met de woorden, de klanken en hun betekenissen. Het is een beetje als het kraken van codes. Dus leren we nu Grieks en Frans. Die magische tuin is beschermend en een plaats om te herstellen, maar het is geen plek om continu in te verdwijnen (dat is wel wat zij het liefst zou doen).

Dus vandaag voelde het goed om dit jonge meisje bewust te ontmoeten en naar haar te luisteren. Ik verwelkomde haar verdriet volledig. Ik hechtte waarde aan haar herinneringen. En ik erkende haar angst. Dus wiegde ik haar zachtjes in mijn armen, ten teken dat ik haar angst volledig accepteerde en begreep, waardoor het voor ons beide makkelijker werd om de angst volledig te voelen, zonder dat er ook nog schaamte bij kwam kijken. Nu was er ruimte om daar afscheid van te nemen.

Daardoor stelde ze zichzelf open. Ze voelde zich door mij gezien en zelfs lief gehad, doordat ik haar omarmde en wiegde. En langzaam kwam die beschermende ijsklomp, stukje voor stukje, aan het breken, smelten en verdwijnen. De dankbaarheidsmeditatie trok als een golf door mijn hele systeem en ik kreeg het inzicht: we worden allemaal vastgehouden en we zijn allemaal geliefd, precies zoals we op elk moment zijn, door iets dat niemand van ons echt kan benoemen. Of we ons daar nou bewust van zijn of niet. Er is geen enkele uitzondering of voorwaarde, welke ervaringen we ook maar doormaken. Het maakt niet uit.

Liefde is…

Vreemde tijden

Door Fiona Robertson, vertaald door Pleun Vermaas.

Het zijn zulke vreemde tijden en het lijkt alsof elke dag alsmaar vreemder wordt (vooral voor mensen die nog nooit andere verstoringen van het dagelijks leven of een pandemie hebben meegemaakt).

Ik voel me angstig en maak me zorgen over de mensen die behoren tot de hogere risicogroepen. Tegelijkertijd is er een soort fascinatie: waar gaat dit heen? Zelfonderzoek is het sleutelwoord hier. Het is mijn innerlijke TomTom, zoals altijd. Ik dacht bij mezelf dat wat er in mijn zelfonderzoek naar voren kwam, misschien bij meer mensen weerklank vindt. Dus hier komt het:

Toen ik ervoor ging zitten, voelde ik een extreem gevoel van uitputting en ik werd me bewust van de behoefte om er een tijdje tussenuit te gaan. Ik liet me erin zakken en dat voelde zo teder, lief en heerlijk; met tranen en al.

‘Uitgeput’ bleef echoën, dus besloot ik dit woord op te zoeken in het woordenboek. Alles wat daar stond raakte een gevoelige snaar: ‘uitputten is onttrekken, leegmaken door de inhoud eruit te halen, het geheel op gebruiken, verbruiken, afgemat raken door uitputting, om middelen, kracht of essentiële eigenschappen af te voeren.

Ineens kwam het plotsklaps binnen: ik ben uitgeput. Wij zijn uitgeput. De aarde is uitgeput. Wij zijn uitgeput door de huidige maatschappij.

Hoe bezorgd ik ook ben over dit hele gebeuren, toch voel ik me eveneens opgelucht. Sluit die deuren maar en dan blijven we een tijdje thuis.

Zoals ik hier nu lig, voel ik hoe mijn zenuwen (die door de buitenwereld regelmatig worden beproefd) zich ontspannen bij het idee dat alles een halt toegeroepen wordt, afgezegd wordt of op slot gaat. Het was altijd maar ‘rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan’ en ik ben bekaf. Het is een grote opluchting om die uitputting bij naam te noemen en die er domweg te laten zijn. Het hoort er allemaal bij.

In plaats van het met mijn hoofd te begrijpen, voel ik hoe het mij aangrijpt…

Door Melanie Balint Gray, vertaald door Pleun Vermaas.

Soms droom ik. Meestal vertel ik mijn echtgenoot s’ morgens over mijn droom. Ik heb geleerd om te luisteren naar de woorden die mijn mond uit tuimelen als ik mijn droom beschrijf. Vaak zijn dit geen woorden die ik doorgaans gebruik. Het is alsof, door de droom, mijn onderbewuste verder gaat dan het gebruik van symbolen en op de een of andere manier ook via woorden met mij “praat”. En ik voel de woorden eigenlijk meer dan dat ik ernaar luister.

Ik richt mijn aandacht op hoe mijn lichaam van binnenuit reageert op elk gesproken woord. Is er een fysieke reactie of blijft het juist neutraal? Of het nu gaat om de woorden die ik gebruik bij het beschrijven van een droom of de woorden die mijn man zegt als hij me vragen stelt of andere invalshoeken aandraagt, ik ben haast alleen maar gericht op hoe mijn lichaam van binnen voelt en hoe het reageert op dit gesprek.

Vanmorgen werd ik wakker en in mijn droom nam ik samen met iemand uit mijn verleden deel aan een of andere wedstrijd of competitie om een wezen uit een verticale buis te halen. We moesten hem bevrijden omdat hij opgesloten zat in die buis. In het echt hebben die man en ik regelmatig met elkaar in de clinch gelegen. Ik ben er tot op heden niet in geslaagd mijn waakzaamheid tegenover hem te laten varen. Ben altijd op mijn qui vive met hem. Dus het was in die zin een uitdaging om met hem te moeten samenwerken in deze droom.

Het beknelde wezen had het uiterlijk en de maten als die van een dwerg. De buis was te smal voor de hand van mijn partner, maar mijn hand was een stukje kleiner en paste er wel in. Dus reikte ik naar binnen en met wat hindernissen, bevrijdde ik het kleine creatuurtje.

Ik gaf het kleine wezentje aan mijn partner. Ergens wist ik dat hij moest wegrennen met dit wezen en hem zo in veiligheid brengen. Ver weg zou hij immers vrij zijn en veilig.

In eerste instantie zei deze droom me niets. Ik kon er geen chocolade van maken. Tot mijn man me vroeg wat dit zei over mij. Voor welke kwaliteit weigerde ik mijn partner (in de droom) erkenning te geven? Welke kwaliteit had ik niet willen zien in hem en gaf ik hem nu terug, in de vorm van dat kleine wezen, zodat hij er mee vandoor kon gaan. Anders gezegd: wat had ik op deze man geprojecteerd dat ik nu wilde opheffen?

Beng!

Ik zei: “Het voelt alsof dat klopt.” Niet op een verstandelijke manier. Helemaal niet. Er waren geen gedachten of analyses op dat moment. Zulks had niet plaatsgevonden.

Het was alsof mijn lichaam een echo liet klinken van die “Beng”, alsof in die vragen erkenning van de waarheid verankerd lag. Ik voelde een brok in mijn keel opkomen voor ik antwoordde: “Ik nam het hem kwalijk dat hij niet het vermogen leek te hebben om simpelweg te “zijn”. Ik zag hoe ik die man al afgeschreven had wat dat betreft: hij zou nooit samen met mij in het-hier-en-nu aanwezig kunnen zijn en we zouden nooit een lucht-je-hart gesprek voeren. Ik voelde tranen over mijn wangen druppen en daarna spijt.

Het kleine wezen in mijn droom was als een entkristal van ‘aanwezig zijn’ dat ik nu terug gaf aan die man, terwijl ik mijn kleingeestige projectie introk.

Toen doemde er een panorama op met een kring van mensen die ik onbewust had afgedaan als mensen die niet bij machte leken gewoonweg te “zijn”. Ik zag hoe vaak ik de etiketten “in slaap”, “onbewust” en “onwetend” gemakshalve op verschillende mensen plakte waar ik van hield.

Beng!

Ik voelde het schaamrood mijn wangen kleuren en dat greep me naar de strot. Ik zat daar, met mijn vingers masseerde ik mijn keel. Er was niets aan te doen, deze ervaring moest eerst gekauwd en verteerd worden; bij die galerij van portretten voelen hoe het was om al die mensen al lang en breed afgeschreven te hebben.

Uiteindelijk loste de strakke band op en de dingen kwamen in rustiger vaarwater. Het kalmeerde, als ware.

Ik had mijn lesje geleerd. Eentje over de wijze waarop ik mezelf had gedistantieerd van juist die mensen die ik het meest liefhad. Een lesje over hoe ik een tegenstelling tussen superieur-en-inferieur-zijn in het leven had geroepen. En hoe veel pijn het me deed om dat te doen. Mijn lichaam vertelde me dat.

Waar ik mee wil zeggen dat mijn lichaam tegen me “praat” en dat er dan misschien woorden kunnen opkomen die meer inzichtelijk dan analytisch van aard zijn.

Zie wat het je te bieden heeft deze grondige gids in jezelf te voelen en van binnenuit aan te raken!

De sceptici en zelfonderzoek

Door Fiona Robertson, vertaald door Pleun Vermaas.

De oude Grieken gebruikten het woord skepsis voor ‘inquiry’, las ik vandaag. Daar komt ons woord sceptisch weer vandaan. Sceptische filosofen van waar ook ter wereld, in zowel de oude als de hedendaagse beschavingen, hebben ons vermogen om te weten, geheel of gedeeltelijk, altijd betwijfeld. Hun mening is een variant van het idee dat we niets zeker weten. En we kunnen zelfs niet weten dat we niets zeker weten.

Het is onvermijdelijk dat we inquiry gaan doen met een weten of geloof dat zeker voelt. In feite noemen we het meestal niet eens een geloof. We zeggen gewoonlijk niet: “Ik geloof dat ik niet goed genoeg ben”, maar stellen dit als een voldongen feit: “Ik ben niet goed genoeg”. Vaak komt er een punt in een sessie waarop die zekerheid barsten gaat vertonen. Dan beginnen we in te zien dat waarvan we dachten dat wat onomstotelijk vaststond, uiteindelijk wel eens op losse schroeven kan staan. Hoewel het geloof in kwestie pijnlijk is geweest, biedt de zekerheid een soort veiligheid. Het kan dus desoriënterend zijn om open te staan voor de mogelijkheid dat we misschien níet weten wat we dachten te weten. Er is vaak een gevoel van angst – als ik dit niet ben, wat dan? Of het besef dat we misschien vele jaren hebben geprobeerd om een probleem op te lossen, alleen om te ontdekken dat het niet het probleem was dat we dachten dat het was. Het is onvermijdelijk dat we uiteindelijk emoties of gewaarwordingen voelen waarvoor het geloof of weten ons op de een of andere manier heeft afgeschermd.

Ooit zag ik in een sessie een beeld van de contouren van een eiland. Het was alsof ik door een telescoop keek vanaf een schip. Het begon me te dagen dat wat ik dacht dat het geval was, misschien wel niet zo was. En zelfs bij het verminderen van de zekerheid tot 95% (in plaats van de volledige 100%), voelde ik enige opluchting. Ook bij het stellen van vragen – inclusief vragen als: “Hoe weet ik dat?” of “Wie of wat vertelt me dat?” – stellen we ons open voor de mogelijkheid van onzekerheid. De mogelijkheid dat we misschien niet echt zeker weten.

De oude sceptici wisten al dat het hebben van een ervaring van niet weten kan leiden tot rust. Heel herkenbaar, vanuit ons perspectief! Het is goed om te weten dat mensen al duizenden jaren op deze manier inquiry doen.